1707 Mar 7 (Annex 'E' #25 - Landrost Starrenburgh to Henricus Beck)


86

E

(Inserted in the left margin. The date is not complete due to damage. It seems to be 7 Mar 1707 as this letter is discussed in the next meeting of the church boards on 9 Mar 1707. See annex 'F')
<...n den 7:e maart>
<...menrs>

Aan den eerw:de h:r Predicant
Henricus Beck en de verdere
leeden van de gecombineerde
kerke raaden van Stellenbosch
en Draakenstijn

Uwe letteren van den 30:e maart jongst-
leeden aan mij gericht doen mij sien
wat resolutie u:e eerwaard:e aangaande
de persoonen van Wessel Pretorius en Jakobus
van der Heiden hebben gelieven te neemen.

Dunkt het haar eerw:e vriend dat die
twee luijden, door mij soodaanigh aan
haar vertoont worden, sonder dat
ik alle de reedenen, die mij daar toe
moveeren in scriptis voor haar open leg:e.

Mij dunkt nogh vreemder dat men sulcx
van mij ter die[n] plaatse verwagt wan dat
is uijt mijne intentie geweest, alsoo ik hare
eerwardens nimmer als gequalificeerde rechter[s]
over de saak in sig selven sal
consi[t]reeren en daarom niet [..]
[...od..kelijk], daar van opening te [de..]
[maar]


87

maar omme dat ick [ter] kerckke present
ben geweest; ende de afkondiging hebbe
aangehoort, dagt ik het mijne pligt
te sijn haar eerw:e kennise van
saken te geeven, waar van se andersints
konden pretendeeren onkundigh te zyn.
Andersints souden haar eerw:e meer
reedenen gehadt hebben te seggen
dat ik mij van mijn pligt niet
gequeeten had, dan nu dat ick
haar eerw:e door mijne aantooningh
doe afmeeten hoedaanige se sijn
soo se te onregte beschuldigt worden
waarom purgeerense haar niet, en
doen mij sulcx aantoonen ter plaatse
daar 't behoort.

Wat aangaat dat de ed:le h:r gouvern:r
en e: agtb: politijcquen raad dese
persoonen goed gekent hebben
daar op vraage ik, maar
tot wat eijnde de afkondinge ter
kerke is ingesteld, en gebruikt
wordt.

En op 't geene verder van 't betamen of
niet betamen ter neder staat
segge ik eenlijk als nogh, dat
het niet betaamd, sulke regenten
in de kerkke toe te laten.

(here damage to the page has been repaired but some of the text is still missing)

Waar in de Augsburgs Confes[sie] [...an]
die der gereformeerde [..ijnes...] [...en]
niet verschild [...]


88

Waar [uit] kunnen haar eerw:e vast
stellen dat ick van de Augburgse
Confessie ben, anders dan dat
mijne vader is Luijtersch geweest.
Dat is daarom geen vast gevolgh
de zoon oock, en magh daarom
den eerw:e kerkenraad van geene
saken informeeren, die hem beeter
dan haar eerw:e bewust zijn
omme dus voor te komen dat er door
ignorantie geen mistasting geschieden.
Uijt dien hoofde is sijne stuttingh
ongefundeert.

Dieshalven sullen en moeten hun eerw:de
daarmeede voortgaan
en dat wel uijt respecte tot de
hooge overigheijt, niet waar eerw:de
heer.

Ick segge dat het tegen de hooge overigheijt
is, waarteegens sij misdreeven hebben
en dat het uijt respecte voor
dieselve hooge overigheijt is, dat ik
die twee persoonen voor geene deugdsaame
mannen erken, maar nogh als
vooren blijf protesteeren van alle
de gevolgen die op hunne eerw:e
resolietien en gedoente in deese saak
moogen vallen.
En sal ten dien sijnde mijne reedenen
verders anders voortdragen.
Ik ben met veel respect,
U:e eeerwaardens berijtwillg
dienaar en vriend
J. Starrenburgh

(handwriting of H. Beck)
gecol[a]trioneert en accoort bevond[en]
(signed)
Hendricus Beck V.D.M.
(signed)
[J.] Mulder
ouderling


 


notes:

This is annex 'E' to letter #20


Source: Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Classis Amsterdam van de Nederlandse Hervormde Kerk: Ingekomen stukken betreffende kerkelijke zaken op Kaap de Goede Hoop,1655 -1792

Citation: NL-SAA, archiefinventaris 379, inventarisnummer 206, pp. 86-88

Print Email